Hooglied - Ich bin herlich, Ich bin schön

Preekschets voor V.E.G. “OPSTAP”
d.d. 17 mei 2020 (audio)

Thema: Ich Bin Herrlich, Ich Bin Schon

Lezing: Hooglied 2:10-13

Inleiding

Op deze mooie zonnige dagen zitten we vaak op ons terras.
Vol verwondering kijken we elk jaar weer naar de veel soortige begroeiing.
Mijn vrouw en ik vinden allebei dat de lente toch wel de meest aangename tijd van het jaar is. De meesten mensen kunnen zich wel vinden in die beoordeling. Af en toe zie ik onze broeder Ben vroeg in de morgen, terug komen van een fietstochtje. Blijkbaar is ook hij een genieter van het vroege voorjaar.

Ik fietste van de week ook even een rondje. Het fietspad door de Haanmeer, ook gelieft bij Wiepie, is een heerlijk tochtje. De zwaan zat nog op haar/zijn nest en rietzangers zongen het hoogste lied. Een paartje bergeenden streek neer in een beploegd stuk land. Ik hoorde een beweging in het water, naast het fietspad, waarschijnlijk een fuut of een duikertje of misschien wel een grote vis die een duik of buiteling maakte. De bloemenpracht in de berm en in een enkel weiland deed wonderbaarlijk aan.

Ook de schrijver van het Hooglied is die mening toegedaan. Salomo was koning over Israël van 971 tot 913 voor Christus. In deze periode moet het boek Hooglied zijn ontstaan. In het geschrift Hooglied komt slechts éénmaal de naam van God voor en dan ook nog zijdelings. Dat staat in Hooglied (8:6) we lezen daar: “ een laaiende vlam– Ook mogelijk is de vertaling: ‘een vlam van de Heer

Het boek is een beschrijving van de liefde tussen een man en een vrouw die onmiskenbaar de liefde van God voor de mensheid voorstelt. Het is daarom een prachtig boek voor jonge mensen om na te denken over de waarde van de liefde tussen vrouw en man. Maar het is vooral leerzaam voor de gelovige die deel uitmaakt van de Gemeente. De Gemeente wordt immers vaak voorgesteld als een vrouw, als een bruid en God is zo gezien de bruidegom. De liefde tussen de bruid en bruidegom is intens en in dit prachtige gedicht wordt heel vaak de natuur bezongen. Laten we maar eens kijken naar de verzen die ik voor vandaag heb uitgekozen.

We horen hier hoe de bruid aangeeft dat haar lief, haar roept en wel met de benaming “mooi meisje” kom!

Het meisje heeft blijkbaar niet zoveel oog voor de schoonheid om haar heen.
Ze maakt zich er eerder druk om of ze wel mooi en geschikt genoeg is voor de bruidegom. Aan de directe rede kun je opmaken dat hier het meisje aan het woord is. Zij herhaalt wat haar vriend haar toeroept. Zij is overtuigd van de liefde van haar vriend want ze noemt hem haar lief. Haar vriend noemt haar vriendin en hij vindt haar een heel mooi meisje.

Is het zo ook tussen ons en de Heer, zijn wij overtuigd van Zijn liefde voor ons?
Of zijn we bezig met ons zorgen te maken over onze geestelijke staat.
Denken we ook bij ons zelf: Ben ik wel rein en heilig genoeg.

De beroemde componist Bach maakte een prachtige Aria op dit lied van Salomo. Hierin staat het  meisje als het ware voor de spiegel terwijl zij zichzelf ziet door de ogen van haar geliefde. Een prachtig beeld van de Gemeente die zichzelf beziet door de ogen van Jezus.

Ich Bin Herrlich, Ich Bin Schon (Bach cantates 49) (Zie deze uitvoering)
https://www.youtube.com/watch?v=5etXsa6imok&feature=emb_err_woyt

        Ich bin herrlich, ich bin schön,

Ik ben prachtig, ik ben mooi,

        meinen Heiland zu entzünden.

om mijn Heiland in vuur en vlam te zetten.

Seines Heils Gerechtigkeit

De gerechtigheid van zijn heil

ist mein Schmuck und Ehrenkleid;

is mijn sieraad en erekleed;

und damit will ich bestehn,

en daarmee zal ik aan de eisen voldoen

wenn ich werd in Himmel gehn.

als ik naar de hemel ga.


Bach laat haar van zichzelf  zeggen dat ze mooi is. Ja en dat durft ze te zeggen omdat haar vriend haar mooi vindt. Ze durft het daardoor ook zelf te geloven. Zoals de woorden van haar vriend haar meer zelfvertrouwen geven, zo geven de woorden van Jezus ons meer zelfvertrouwen. Net als de vriend van het meisje roept de Heer ons om te komen.   

 

Dat brengt ons bij vers 11:

“Wie is hier aan het woord?” Is het de bruidegom of is het de bruid die de woorden van haar verloofde herhaald? Ik denk dat het beide wel kan.
Waar het om gaat is: “Wat wil de bruidegom hier zeggen?” Hij wijst op de nare harde omstandigheden die voorbij zijn gegaan. Het leven van een mens is vaak erg zwaar. De winter is daar het beeld van. Winter is gebrek aan warmte en de natuur lijkt doods. Na de winter komen er in de oosterse landen veel regenbuien. Dat is natuurlijk heel logisch omdat de lucht iets warmer wordt. De vorst verdwijnt uit de lucht zou je kunnen zeggen. De regens zijn op zichzelf niet erg aangenaam maar ze zijn noodzakelijk om de aarde te bevochtigen zodat het groen kan groeien. Zo is het ook in onze levens, want na een zware tijd van eenzaamheid, ziekte en dood breekt langzaam een betere tijd aan. De niet zo aangename maar wel veelbelovende regens zijn de voorboden van nieuw leven.
Je kan wel zeggen dat voor de meesten van ons geldt dat we voor onze bekering in moeilijke omstandigheden verkeerden. Voor mij geldt dat zeker ook. Als jonge man had ik het moeilijk met de vraag naar de zin van het leven. Alleen maar leven voor het hier en nu was voor mij niet genoeg. In die tijd had ik het kerkelijk leven geheel losgelaten, net als zoveel leeftijdgenoten. De meesten van hen namen genoegen met het hier en nu. Zij probeerden iets moois van hun leven te maken door te werken aan een succesvolle carrière. Ze waren net zoals, vele van onze kinderen, mensen die geen behoefte lijken te hebben aan een Bijbelse richtlijn, ik had wel behoefte aan zo’n richtlijn. Gelukkig waren er nog veel meer mensen die daarnaar zochten. Waaronder mijn vrouw. Zo kwam ik terecht in de Gemeente van Jezus. De lente brak aan en dat wordt in het Hooglied prachtig uitgebeeld in vers 12

Volgens de Apostel Paulus is de natuur het bewijs van God.  Hij schrijft dit in zijn brief aan de Romeinse Christenen

Rom. 1: 19 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. 20 Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.

Als een mens dit erkent dan is hij begonnen met het bekijken van de wereld door de ogen van God. Een Joodse rabbijn vertelde eens dat God het heerlijk vindt als we zo naar de wereld kijken. Want in ons heeft Hij een vonk van zichzelf geplaatst en deze vonk is onze ziel. Als we dus naar de wereld kijken als zijnde het werk van Gods hand dan kan God door ons heen kijken naar Zijn eigen scheppingswerk. Hij kan ons inspireren om op een goede wijze met deze wereld om te gaan.
In vers 12 lezen we daar dan ook van:
- De bloemen op het veld.    
- De vogels die hun hoogste lied zingen.
- Het koeren van een duif.

Stuk voor stuk beelden van een geestelijke realiteit.
Alle drie wijzen op de vruchtbaarheid, op voortplanting.
Prachtig is het om dat te bedenken als je nu naar de natuur kijkt.
Zo kan het ook in onze levens gaan, want na de moeiten, volgt een tijd waarin we de van God ontvangen inzichten mogen doorgeven.

We behoeven dat niet te doen door onze medemens te overtuigen van ons gelijk. In de natuur leren we immers hoe we moeten getuigen. Net als de bloemen en de vogels mogen wij door ons handelen en wandelen tonen hoe goed en warm het is om met God te leven. Iets wat nu mogelijk is omdat God Zijn Zoon geopenbaard heeft. Hij heeft ons getoond dat God één en al goedheid is. Jezus leerde ons dat God als een liefhebbende vader is. 

De bruidegom wijst ook op de duif, terwijl die toch onder de reeds genoemde vogels behoord. Zijn gezang is anders dan dat van de merel maar dat is het geluid van de uil ook.

Waarom een duif?

Hier een paar verwijzingen uit de Bijbel die vaak op de duif betrokken worden.
1. Gen. 1:1-2 In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg en er lag duisternis op het oppervlak van de waterdiepte; en de geest van God zweefde over de wateren.  
Velen vatten dit zweven op als het zweven van een duif. Dat kan als je het chronologisch ziet natuurlijk niet, want er waren nog geen dieren en vogels geschapen. Daar kun je weer tegen in brengen dat de hele schepping voordat zij tot aanzijn werd geroepen al in de gedachten van God aanwezig was. (Zoals deze overdenking al in mijn gedachten was voordat ik hem op papier zette en uitsprak.) De duif wordt in de Bijbel als beeld van de Geest van God geduid.

2. Zo kun je de duif uit het verhaal over Noah ook duiden als de Geest van God die zweefde over de wateren.( Genesis 8:8-11) Noah achtte de duif geschikt en dus rein wellicht waren de bepalingen uit Leviticus 11 al aan hem bekend, en daarom bracht Noah duiven als brandoffer. Dat was tenslotte de enige vogelsoort die als brandoffer en zondoffer onder de wet voorgeschreven was (Leviticus 1:14; 5:7, enz.).
3. Ook Jozef en Maria brachten 2 duiven mee als dank en zondoffer.
4. Matth. 3:Toen Jezus werd gedoopt daalde er een duif op Zijn schouder neer als teken dat Jezus volledig door de Geest van God werd vervult.

Zo komen we alweer bij het laatste vers dat ik vanmorgen wil bekijken.

De vijgenboom is het beeld van het volk van God. De vijgenboom die het natuurlijke volk Israël voorstelde bracht eigenlijk nooit goede vruchten voort.
Dit volk wilde wel en nog steeds wil het wel maar omdat ze uit eigen kracht de wet moesten vervullen gelukte het niet. Ze konden geen weerstand bieden aan de krachten van de satan. Maar door alle eeuwen heen bleven velen van hen vertrouwen op God. Ze zagen uit naar de beloofde redder “De Messias” die zou hun redden en toerusten zodat ze waarlijk een Volk van God, een Gemeente van God konden vormen.

De dag van de 1e komst van de Messias brak aan want de Mens Gods, de Zoon  Gods, Jezus werd geboren. Hij slaagde erin om de kracht van de boze over de mensheid te breken. Met Zijn boodschap over genade en vrede komende van God ondanks onze zonden, maakte hij duidelijk dat we weer in gemeenschap met God konden leven. Zijn volgelingen uit de Joden en de niet Joden werden door de Geest van God gevormd tot een Gemeente in de Geest. De apostel Paulus geeft dat zo duidelijk weer in Rom. 1: 16 Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.  

Paulus vergelijkt de gemeente ook wel met een olijfboom. Jezus die is voortgekomen uit de stam van Juda en dus een nakomeling van David vormt de stam van deze edele olijf. Op Hem wordt de mensheid geënt en zo vormen Jezus en de gemeente de bruid en God is de bruidegom. Deze vijgenboom of olijfboom geeft vruchten in dit gedicht van Salomo.

Ook noemt hij de wijnstok die nieuwe ranken doet groeien, beeld van de vele deelgemeenten die voortkomen uit de wijnstok Jezus. En aan deze ranken komen hele kleine bloementrosjes en deze zouden moeten geuren. Ik heb het groeien van de ranken met de bloemetjes wel kunnen zien in onze tuin maar ik heb de geur van deze bloemetjes eigenlijk nooit bewust geroken. Dat moet ik dit jaar maar eens proberen waar te nemen.

Deze bloemetjes vormen het begin van grote trossen met heerlijke sap, sap dat gemaakt kan worden tot wijn, die vreugde geeft op bijvoorbeeld een bruiloft. Een bruiloft die eraan staat te komen. De bruiloft die in de Hooglied zo prachtig wordt bezongen. Een bruiloft waar wij door ons geloof aan deelnemen.

Dit waren nog maar 3 verzen uit dit prachtige geschrift. Ik wens jullie voor de komende week Gods rijke zegen.