Richteren 4 over Debora en Jaëel


Het boek Richteren (shoftim) beslaat een periode van ongeveer 300 jaar. Het gaat vanaf Mozes en Josua tot het koningschap van Saul en David. De Joden waren zonder leider en ze waren in het geheel niet georganiseerd. Bekend is de zin: “Ieder deed wat goed was in eigen ogen.”  Het is eigenlijk heel simpel. Als de Joden leefden volgens de wet van Mozes dan ging het goed met hen. Waren ze ongehoorzaam aan de Thora dan kwam er onheil over hen. Als er weer eens een vijandige naburige Koning het volk bedreigde dan zochten ze naar een heilige man, een leider ook wel richter genoemd, die hen zou voorgaan in de strijd. Onder deze druk begonnen ze zich ook weer meer te gedragen volgens de Thora. De nieuwe leider bleef dat meestal tot het einde van zijn leven want hij werd gezien als de door God aangestelde profeet of richter. Als hij vervolgens overleed dan verviel het volk al snel weer tot afgoderij en de daarbij behorende gedragingen. Dat is eigenlijk het gehele boek van Richteren 1 en 2 in een notendop. 

1 De zonen Israëls voegen toe aan het doen van wat kwaad is in de ogen van de Ene; en Ehoed is gestorven.
2 De Ene verkoopt hen in de hand van Javien, koning van Kanaän, die koning is geworden in Chatsor; overste van zijn strijdschaar is Sisera, en die zetelt in Charosjet Hagojiem.
3 De zonen-en-dochters van Israël schreeuwen tot de Ene,- want hij heeft negenhonderd wagens van ijzer en hij heeft twintig jaar lang de zonen-en-dochters van Israël zwaar verdrukt.

Nu naar de tekst! Het verhaal begint eigenlijk bij vers 4 maar we lezen ook nog even de eerste 3 verzen. Hier wordt getekend in welk een verdrukking het volk zich bevond door hun eigen toedoen. Ze waren niet één met als gevolg dat Sisera de generaal  van Koning Javien het volk zwaar kon verdrukken.
••
4 Debora, een vrouw die profetes was, vrouw van Lapidot,-
zij heeft Israël gericht in die tijd.

Er staat geen lidwoord tussen: “Vrouw van Lapidot.” Wie is Lapidot?
Je kunt dit volgens de rabijnen op 3 manieren uitleggen.

1.De eenvoudige manier is dat hier vertelt wordt dat Debora de vrouw van Lapidot is. Deze uitleggers zeggen dat Debora haar man de opdracht gaf om kaarsen (wigs) te maken voor de tabernakel. Want die tabernakel tent (shiloh) was erg donker van binnen.

2. Een eigenschap van Debora.
Je kunt, omdat er geen bepaald lidwoord voor staat, dit op vatten als: wat betekend Lapidot? Wel in het Hebreeuws is een lapid een vlam. (Denk aan de bekende christen-jood Pinchas Lapide.) Deze uitleggers vertellen dat hier staat dat Debora een vurige vlammende vrouw was en zelf een kaarsenmaakster was. En men legt uit dat ze de vrouw van Barak zou zijn. Dit is de tweede held uit het verhaal.


3. Barak en Lapide is dezelfde
Er is ook een uitleg die leert dat deze Barak dezelfde is als de Lapide die eerder genoemd wordt. Want in de Bijbel hebben figuren soms meerdere namen. In de Tenach zien we dat men figuren meerdere namen geeft. De naam die gebruikt wordt heeft te maken met de opdracht die ze moeten vervullen.
(Bv. Jacob en Israël, Jetro of Jitro ook wel Jeter of Jether maar ook Paulus of Saulus enz.) Dus Barak en Lapide zijn één en dezelfde volgens de Midrash.
De rabbijnen hadden en hebben de gewoonte om deze uitlegingen naast elkaar te laten bestaan. Ze zijn blijkbaar net als de apostel Paulus overtuigd van het feit dat God een ieder persoonlijk wel zal overtuigen of leren.  We gaan verder met de tekst van hoofdstuk 4.

5 Zij zetelt onder de palm van Debora, tussen Rama en Bet El in het bergland van Efraïm; tot haar klimmen de zonen-en-dochters van Israël op voor rechtspraak.
Debora (van het woord dabar = woord) zetelde onder een palmboom op een heuvel. Dit kun je op verschillende niveaus uitleggen:
1. Rashi legt uit dat zij en haar man palmbomen bezaten (dadels!)
2. De Midrash gaat dit wat meer toelichten. De palmboom heeft geen laaghangende takken en bladeren. In feite is de hele stam kaal en pas bovenin spreiden de bladeren zich uit. Dit betekend dat Debora goed zichtbaar was voor ieder die tot haar kwam om raad. En omdat het hele Joodse volk in grote getale bij haar kwamen was dat handig. Bovendien was het niet toegestaan dat een man zou naderen tot een vrouw die alleen was. Om alle praatjes
voor te zijn zetelde Debora dus op een open plaats onder de schaduw van een palmboom.
3. Anderen leggen uit dat de takkenloze stam verwijst naar het monotheïsme van het Jodendom. Aan eikenbomen of ceders zitten vele takken die sappen gebruiken dus de bladeren en de vruchten ontvangen hun sappen van verschillende takken. Deze takken verwijzen naar het politheïsme. De Palmboom is hier dus een verwijzing naar het volk Israël en naar de bron die de Here God voor hun is. 


Een mooi verhaal uit de Talmoed
In de tijd van Deborah leefde de beroemde nakomeling van Aaron nog. Dit was Pinehas. En men vroeg zich daarom verbaast af hoe het kwam dat tijdens het hogepriesterschap van Pinehas er een vrouw gelijk Deborah die als richter kon optreden?
Wel de Talmoed geeft weer: “Bij hemel en aarde die mogen getuigen het is mogelijk dat de Geest van God kan werken door ieder mens van goede wille. Dus of het nu een Jood of een heiden is, een man of een vrouw, slaaf of slavin op over ieder mens kan de Geest van God komen, alleen hun goede daden en hun goede wil is daarvoor bepalend.”
(Dit zegt de apostel Paulus ook in Gal. 3: Daarin is geen Judeeër en geen Helleen, daarin is geen dienstknecht en geen vrije, daarin is geen mannelijk en vrouwelijk; allen immers zijt gíj één in Christus Jezus!)
Het uitleg gaat verder en leert dat Debora met haar man Lapidot  kaarsen ging maken. Zij maakte ze en hij moest ze naar het heiligdom rond de ark te Siloam brengen. Zij maakte grote dikke kaarsen zodat hun licht groot en krachtig zou zijn. Omdat ze dat deed sprak de Geest des Heren tot haar: “Omdat je Mijn licht onder het volk bekend gemaakt en zichtbaar gemaakt hebt, daarom zal Ik jou licht in de vorm van wijsheid en inzicht doen toenemen.”  

6 Zij zendt boden en laat Barak, zoon van Avinoam, roepen uit Kedesj in Naftali; zij zegt tot hem: heeft de Ene, Israëls God, niet geboden ‘ga heen, uittrekken zul je naar de berg Thabor en met je meenemen tienduizend man uit de zonen van Naftali en de zonen van Zevulon;
Het valt op dat Deborah niet naar Barak gaat maar dat zij hem laat oproepen. (Een zelfde soort houding vinden we bij de profetes Chulda zie Jeremia dus verre van nederig.)
De Midrash leert dat Avinoam een man was die altijd aan de voeten van Jozua zat. Net als zijn vader was Barak of Lapidot daarom ook altijd dienende, hij was niet uit op een hoge positie. (In geschriften lezen we dat God zijn rijk zal vestigen door mensen die vroeg opstaan om de Tenach en de geschriften te bestuderen.) Dan gaat de uitleg uit de midrash verder: Deborah zegt dat Barak 10.000 man moet nemen van de stammen Naftali en Zevulon. Dit is interessant want waarom vraagt ze niet om de mannen van heel Israël. Wel dat heeft te maken met de houding van de zoon van de aartsvader Jacob. Naftali zat altijd aan de voeten van zijn vader Jacob. Zevulon maakte een overeenkomst met zijn broer Issachar. Zij waren gericht op Thora en op de handel overzee. Issachar nam land in bezit en Zevulon vervoerde de handelsgoederen en waren vissers. Dit zijn dus de mensen die God wil hebben voor zijn plan. (Vissers van mensen?). Zij trokken op naar de berg Thabor

7 naar jou toe trekken zal ik, naar de beek Kisjon: Sisera, overste van de strijdschaar van Javien en zijn wagens en zijn menigte, geven zal ik hem in jouw hand!’
Als Deborah hier in de ik-vorm spreekt dan profeteert zij en horen we dus de stem van God. Omdat hier staat trekken weten we dat Sisera al een soort slecht voorgevoel had over de komende strijd. De occulte krachten hadden hem al iets duidelijk gemaakt over de slechte afloop.

8 Dan zegt Barak tot haar: als u met mij meegaat zal ik gaan,- en als u niet met mij meegaat ga ik niet!
Hier blijkt toch een beetje twijfel in de reactie van haar man.

9 Zij zegt: ik ga, ik ga met je mee; maar, luisterrijk zal het voor jou niet worden op de weg die jij nu gaat, want door de hand van een vrouw ‘schakelt’ God Sisera uit! Dan staat Debora op en gaat zij met Barak mee naar Kedesj.
Deborah bemerkt hier toch weer de afhankelijke houding van haar man. Ondanks het feit dat Ha-Sjem door haar geprofeteerd heeft dat ze zullen winnen, heeft Barak (Lapidot) weinig verlangen nog vertrouwen in de roeping van God. Daarom zal een vrouw ook de finale slag toebrengen aan de vijand en niet deze generaal. Deborah gaat mee naar Kedesj (slagveld).

10 Barak schreeuwt Zevulon en Naftali bijeen naar Kedesj, en in zijn voetstappen klimt een tienduizend man op; met hem klimt Debora op.
Geen commentaar

11 Chever de Keniet heeft zich afgescheiden van Kaïn, van de zonen van Chovav, de zwager van Mozes; hij spant zijn tent bij de godseik in Tsaänaniem bij Kedesj.
Dit is een soort inbrengen van een stukje geschiedenis in het onderhavig verhaal. De Kaïn die hier genoemd wordt is natuurlijk niet de vroegere Kaïn van Adam en Eva. Deze Kaïn was volgens de Midrash een afstammeling van Jetro (Want een andere naam voor Jetro is Chovav) Hij wordt immers een zwager van Mozes genoemd) de Kenieten voelen zich dus verbonden met het volk van Mozes. Maar ze hebben geen oorlog met de Kanaänieten. Dit stukje verklaart waarom de Kenietische vrouw Jaëel straks doet wat ze doet.

12 Ze melden aan Sisera,- dat Barak, de zoon van Avinoam, de berg Thabor is opgeklommen.
Het is gewoon dat vijanden elkaar voortdurend in de gaten houden. Denk maar aan de hereniging van Jacob en Ezau, beiden stuurden spionnen om elkaar in de gaten te houden.
••
13 Sisera schreeuwt al zijn wagens bijeen: negenhonderd wagens van ijzer; en heel de manschap die bij hem is; vanuit Charosjet Hagojiem naar de beek Kisjon.
Sisera riep (schreeuwt) de troepen bijeen voor de strijd.

14 Debora zegt tot Barak: sta op, want dit is de dag dat de Ene Sisera
in je hand heeft gegeven; is de Ene niet uitgetrokken voor je aanschijn uit?! Dan daalt Barak af van de berg Thabor met tienduizend man achter zich aan.
Ga uit  of sta op want de Heer is bij jullie zegt Devora

15 De Ene brengt Sisera en heel het wagenpark en heel het legerkamp in verwarring door de bek van het zwaard, door de verschijning van Barak; Sisera daalt neer van de wagen en vlucht te voet.
Hier wordt de verwarring gebruikt om het leger te verslaan.

16
Barak heeft het wagenpark en het legerkamp achterna gejaagd tot aan Charosjet Hagojiem; zo valt heel het legerkamp van Sisera door de bek van het zwaard, niet één is er overgebleven.
Zij joeg het vijandige leger na tot aan de plaats van het begin van de strijd.

17 Sisera is te voet gevlucht naar de tent van Jaëel, vrouw van Chever de Keniet; want er is vrede tussen Javin, koning van Chatsor, en het huis van Chever de Keniet.
Deze Chever en zijn vrouw Jaëel leefden dus in de tijd dat er geen duidelijke leiding was in Israël. Ieder moest maar een beetje voor zichzelf zorgen. Als de nood door deze onduidelijke politieke situatie te hoog werd, nam men zijn toevlucht tot een Richter. Daarom had Chever bedacht om zich niet te vijandelijk op te stellen tegenover Javin de koning van de Kanaänieten. Ze veinsden hoogst waarschijnlijk vriendschappelijk te zijn met de Javin. Maar uit het vervolg en uit het hiervoor genoemde vers 11 blijkt dat Chever en zijn vrouw Jaëel dichter bij Israël stonden dan bij deze agressieve koning der Kanaänieten en zijn generaal Sisera. Deze vluchtte daarom naar de tent van Jaëel (vrouw)

 18 Jaëel trekt uit, Sisera tegemoet, en zegt tot hem: wijk uit, mijn heer, wijk uit naar mij,
 vrees niet! Dan wijkt hij uit naar haar, de tent in, en zij bedekt hem met de deken.
Het Hebreeuwse woord wat hier gebruikt wordt voor deken komt heel weinig voor. De midrash gaat hier verder op in. Er staat daar dat er 3 mensen waren die iets moesten ondergaan wat niet verdiend was. God wil de oprechtheid van zulke mensen benadrukken.
De 1e mens die genoemd wordt is Jozef over het verhaal aangaande Potifar en zijn vrouw. Om duidelijk te maken dat Jozef onschuldig was voegt de Heer in de Tehillim (psalmen) aan de naam van Jozef de Hebreeuwse letter "Hee" toe zodat geschreven staan Johosef.  

De 2e mens die de midrash aanhaalt is het verhaal over Koning Saul die woedend van jaloezie werd op zijn David en die probeerde David te doden. Toen dat mislukte gaf Saul zijn oudste dochter Merab hem tot vrouw. Op de dag van het huwelijk gaf Saul zijn oudste dochter aan een andere man Adriël uit Mechola. Als alternatief beloofde hij, de inmiddels verliefd op David geworden, Michal aan David. (het verhaal met de 100 voorhuiden i.p.v. een bruidschat.) Later kwam Saul, die weer woedend was geworden op David, daar weer op terug en gaf hij de met David getrouwde Michal aan ene Palti de zoon van Laïs, uit Gallim. (1 Sam 25:44) Palti wordt later geschreven als Paltiël. Hier zit dus ook de naam van God (El) in en wel omdat Paltiël de toegewezen vrouw Michal niet had aangeraakt.

De 3e mens is deze Jaëel zij gebruikt een deken dat in het Hebreeuws wordt weergegeven met het woord Semichol. Waarom gebruikt de schrijver dit vreemde woord voor dit kleed, vragen de schrijvers van de Midrash zich af waar komt dat woord vandaan? Door dit woord voor de deken of het kleed te gebruiken wordt Jaëel als het ware vrijgesproken van verkeerd gedrag. Ze nam immers de goddeloze Sisera in haar tent, wat je zou je kunnen afvragen, wat is daar misschien wel niet allemaal gebeurd? Als je het woord Semichol goed bekijkt bestaat het uit 3 woorden t.w. semi-chol en dit betekend (Mijn) naam -was-hier.

 

19 Hij zegt tot haar: geef me toch een beetje water te drinken, want ik heb dorst! Zij maakt de melkzak open, geeft hem te drinken en dekt hem weer toe.
Waarom melk, wel het was een dikke romige melk waar je slaperig van wordt.

20 Hij zegt tot haar: blijf staan in de opening van de tent, en laat het zo zijn, als er iemand komt en je vraagt en zeggen zal ‘is hier iemand’, dat jij zult zeggen ‘niemand!’  Geen verder commentaar.

21 Jaëel, vrouw van Chever, neemt een tent pin en pakt de hamer in haar hand, komt stilletjes naar hem toe en stoot de pin door zijn slaap totdat zij de aarde in schiet; hij wás al in diepe slaap en doodmoe, en hij sterft.
Dit kordate optreden van Jael wordt later door Deborah geprezen. Zonder deze daad had het misschien veel langer geduurd voordat de overwinning werkelijk een feit was. Sisera had weer kunnen vluchtten naar zijn Koning Javin en met nieuwe troepen verder kunnen vechten. Nu was het een klinkende overwinning en  nog wel door de hand van een vrouw.

22 En ziedaar Barak die Sisera achtervolgt; Jaëel trekt uit, hem tegemoet, en zegt tot hem: ga mee, ik zal je laten zien de man die jij zoekt! Hij komt bij haar binnen en ziedaar Sisera, gevallen, dood, met de pin door zijn slaap!
Het hele leger van Sisera en Javin is gevlucht, Barak kan dat constateren.

23 Zo verootmoedigt God op die dag Javin, de koning van Kanaän, voor het aanschijn van de zonen-en-dochters van Israël.
Duidelijk dus een bemoediging voor de trouw aan God en de wet gehoorzaam geworden Israëlieten.

24 De hand van de zonen Israëls gaat gaandeweg verder en wordt steeds harder op Javin, Kanaäns koning, totdat ze hebben weggemaaid Javin, Kanaäns koning.
Na deze enorme nederlaag geeft Javin inderdaad niet op maar de Israëlieten vertrouwende op Ha-Sjem vernietigen de Filistijnen totdat hun koning Javin het loodje legt. De terroristische aanvallen op Israël zullen nu ophouden. Het land kan 40 jaar vredig leven.

Het verhaal van Devorah gaat verder met het lied van Deborah in hoofdstuk 5.